Inleiding

Wil Nu is in ontwikkeling. Onderstaande aanzet is bedoeld als een eerste steen, waar diverse (ervarings-/beroeps-) deskundigen hun licht over laten schijnen en verder bouwen aan de vormgeving van het Deltaplan hervorming rechtspraak. Ten behoeve van het Deltaplan-begrip is een kleine expositie van de opbouw van het rechtssysteem nodig.

Opbouw van de regelgeving ten behoeve van maatschappelijke regulering.

De maatschappij is continu in ontwikkeling, opvattingen en inzichten lopen daar altijd iets in achter. Dat is nog meer in de rechtspraak, omdat pas na bewustwording over een bepaald aspect er nagedacht kan worden over een zekere regelgeving. Rechtspraak gaat over wet, en wet gaat het bepalen van grenzen en rechten. Dat er lacunes in een wet kunnen ontstaan is bijvoorbeeld omdat de maatschappij sneller evolueert dan een wet die oorspronkelijk uit een andere tijd van opvattingen en kennisniveau stamde. Iets is pas strafbaar als het in het wetboek van strafrecht staat. Zo was internetcriminaliteit begin jaren 90 nog niet strafbaar, het fenomeen zoals we het nu 20 jaar later kennen was nog niet ontdekt, en in het wetboek van strafrecht bestond er nog geen strafbepaling, en dus kon dat niet vervolgd worden.

De maatschappij wordt geregeld door regels in de omgang tussen een individu en zijn omgeving en vice versa, de uitvoering van gedragingen van een individu kan men materieel recht noemen. Ontstaat er een geschil dan gaat procesrecht spelen, en dat noemen we formeel recht, procedureel steunend op regels. Formele beginselen betreffen dus omschreven regels en het materieel beginsel op besluiten/uitvoering.

Er zijn vijf rechtsgebieden: Staatsrecht reguleert de rechten/plichten van de Staat, Bestuursrecht reguleert in de omgang met beleidsuitvoerders, Civiel recht (burgerlijk) reguleert in de omgang van individu/organisatie tot individu/organisatie); het Arbeidsrecht en sociale zekerheidsrecht zit eigenlijk ergens tussen het Bestuurs- en Civiel-recht in de regulering van de maatschappij voor alle bestaande rechtspersonen, en tot slot is er het Strafrecht in de omgang met een normbewaking vooraf en achteraf. Een individu is een natuurlijk rechtspersoon, een organisatie is een niet-natuurlijk rechtspersoon.

Bestuursrecht betreft vooral regulering en rechten in de omgang met de overheid. Voor de burger zijn er vier belangrijk principebeginselen om te beseffen:

1. Gelijkheidsprincipe. Als er ergens in het land in de rechtspraak een uitspraak is gedaan in het voordeel van het individu (tegen de beleidsvoerder/maker), dan moet die overgenomen worden. Een wantrouwende kritiek is: ‘if they don’t know, don’t tell’, burgers kunnen informatie onthouden worden, waardoor ze niet in hun volle wetenschap en motivatie hun rechten eisen.

2. Het zorgvuldigheidsbeginsel. De uitvoerende bestuurder moet zorgvuldig zijn in het verwerken van informatie die moet leiden tot een deugdelijk besluit in respect tot de burger.

3. Het motiveringsprincipe: besluiten moeten van duidelijke uitleg voorzien zijn.

4. Het Billijkheidsprincipe. Een individu moet een redelijk besef hebben van wat wel en niet mag, maar men kan niet van de burger verwachten, dat hij alle regeltjes en bepalingen kent.

Wel is het zo dat de burger zijn integriteit moet kunnen tonen in handelen, maar de beleidsuitvoerder moet ook een zekere billijkheid naar de van goede intentie rechthebbende burger tonen.

Er zijn meer beginselen te noemen in formeel en materieel bestuursrecht, die ik hier even weglaat. Deze vier genoemde principes zijn de belangrijkste als burger om wetenschap van te hebben naast de plicht om zelf de casus zo goed en volledig als mogelijk uit te werken en met hulp van internet ook regelgeving aangaande en besluiten bestudeerd te hebben, daarmee wordt recht helder, betaalbaar en efficiënt. Wil NU als politiek maatschappelijke beweging is tot leven gekomen, omdat de werkzaamheid van rechten voor de individuele burger op de tocht staan in dit Deltaplan wordt gezocht naar verbeteringen.

Burgerlijk recht is een heel breed gebied, van huwelijksverbintenissen, erfrecht, schadeverhaal, etc etc. er zijn diverse onder-gebieden.

Strafrecht is de ruggengraad van het hele rechtssysteem en de maatschappij. Strafrecht heeft naast een straf uitdelende rol, ook een preventieve taak (voorbeeld stellen), en ook een orde gevende taak, zodat we elkaar niet de koppen gaan inslaan. Het is zelfs zo, dat in de Grondwet bepaald is dat de overheid een plicht heeft tot bescherming van het individu, de veiligheid en een deugdelijke gezondheidszorg te bieden, waar zij op haar beurt een rechts- en gewelds- (straf-) monopolie heeft over haar burgers.

Regels bestaan om grenzen en normen te bewaken en zekere rechten aan rechtspersonen toe te kennen. Regulering bestaat om stabiliteit in de maatschappij te brengen en dat het geen chaos wordt met bijvoorbeeld lieden die buitenproportioneel escalerend eigen rechter gaan spelen in conflicten. Alleen zitten er gaten in het systeem, die maken dat de wet eigenlijk alleen de gewone burger treft. De populistische uitspraak van boven de wet staan, is bij nadere beschouwing helemaal niet zo populistisch.

Het ontbreken van een Constitutioneel Hof, maakt dat wetten en regels die gemaakt worden niet getoetst kunnen worden aan de Grondwet door burgers, en art 120 van diezelfde Grondwet verbiedt de rechter zelfs om een lagere wet in uitvoering aan de grondwet te toetsen. Dit voorbeeldje van gebreken in de wet is al een voorbeeld van de lacune die bestaat en misbruik en stelen van recht mogelijk maakt.

Het beroepsgeheim dient op de eerste plaats ter bescherming van het elan van de beroepsgroep boven het belang van de individuele cliënt. Als er sprake is van een beroeps-gerelateerd misdrijf dan mag er geen opsporing plaatsvinden bij degene die zich op het beroepsgeheim kan beroepen. De beroepsgroep moet over zo iemand oordelen, want de overheid heeft haar grondwettelijke plicht op toezicht veiligheid voor de individuele burger uitbesteed aan de sectoren zelf, maar de overheid is bovendien nalatig erop toe te zien of dat toezicht ook daadwerkelijk wordt uitgevoerd. En als klap op de vuurpijl mag ook de gerechtsdeskundige als beroepsbeoefenaar zich ook tegenover de rechter verschonen. De strafwet is er kennelijk enkel om de kleine man in toom te houden in het maatschappelijk industrie-rad?

Er zijn dus nog een paar cruciale gaten in regels. Verder zal er gekeken moeten worden naar verbanden binnen het Trias Politica, de werkzaamheid van Politiek als wetgevende macht, maar ook naar de scheiding van machten, omdat deze slechts uiterlijk bestaat. De regel als een burger een ambtenaar in functie belaagd, dat die burger dubbele straf krijgt zou ook omgedraaid moeten worden: de ambtenaar die de burger ‘belaagd’ zou ook een dubbele straf moeten krijgen. Disfunctionerende uitvoerders van beleid/bestuur/wet etc, die dus het

algemeen belang voorstaan en uit naam in het belang van de individuele burger dienen te handelen, moeten niet een gouden handdruk met niet-vervolgingsverklaring krijgen maar echt berecht worden. Hiermee zal er meer respect voor de handhavende macht ontstaan, want thans is er het beeld van een impliciete partijdigheid, omdat met verschillende maten gemeten het recht nu selectief toepasbaar blijkt te zijn.

Uitvoering van regelgeving binnen maatschappelijke normering (handhaving).

Waar Wil Nu vooral de vinger op wil leggen in hervorming is niet primair betreft de regels van wetgeving, hoewel daar dus ook enkele bijstellingen in te maken zijn, maar vooral in de kwaliteit van recht en dan spreken we over gaten in de uitvoering van wet en de mogelijkheid tot gijzelen van recht: mensenwerk. Dus naast een zekere evolutie in codificatie van wet is er een groter aandachtsgebied: de uitvoering.

Naast enkele cruciale gaten zoals een vergaand extreem verschoningsrecht en het niet kunnen toetsen aan de Grondwet zijn er juist in uitvoering van regelgeving meer kritieken van gebrek te benoemen.

Het recht moet niet gijzelbaar zijn.

Er moet op de eerste plaats waarheidsvinding komen, anders is er enkel onpartijdigheid in bedrog. Het recht gaat thans over wie de beste mening kan verkopen (ook als die vals is), waarbij waarheidsvinding niet ter zake doet. De blinddoek van Vrouwe Justitia staat thans niet voor onpartijdigheid (en niet voor niet-vooringenomen-zijn-ten-aanzien-des-persoons), maar voor het geen oog hebben voor waarheid. De klachten over het onbetaalbaar zijn/worden van het recht nemen ook af, want als waarheidsvinding op de eerste plaats staat is ontvankelijkheid van een kwestie door de koers van zoeken naar waarheid ook het eerste uitgangspunt geworden. Thans is het recht een ‘lawyers-paradise’