De land- en tuinbouw dient in de eerste plaats zorg te dragen voor de voedselvoorziening van de Nederlandse bevolking. Als we als uitgangspunt nemen dat de mens zichzelf maakt, onderhoud en repareert met zijn voeding, dan speelt de land- en tuinbouw een hele grote betekenis in de gezondheid van de mens en de Nederlander in het bijzonder. 

Het land- en tuinbouwareaal in Nederland bedraagt : 

Agrarisch grondgebruik (1.000 ha), 2000-2018 a 

  2000  2010  2016  2017  2018  Verschil (%) 2017-2018 
Grasland en voedergewassen  1,249.5  1,232.9  1.210,7  1.206,8  1.203,1  -3.0 
    Waarvan grasland  1,036.7  995.3  9,948  9,916  9,871  -5.0 
    snijmais  205.3  230.8  2,069  2,053  2,056  2.0 
Akkerbouw  634.4  542.1  503.7  509.2  516  13 
    Waarvan granen  225.7  218.8  181.1  164.1  1,676  21 
    aardappelen  180.2  158.3  157.9  162.8  165  14 
    suikerbieten  110.9  70.6  70.7  85.4  852  -2.0 
    overig  117.6  94.5  93.9  97  982  12 
Tuinbouw open grond  81.1  87.1  92.2  93.5  943  9.0 
    Waarvan groenten  22.4  24.5  25.8  26.3  261  -9.0 
    fruit  20.6  19.5  20.4  20.5  204  -1.0 
    bloembollen  22.5  23.3  26.1  26.7  276  33 
    boomkwekerij  12.6  16.9  17.3  17  169  -5.0 
Tuinbouw onder glas  10.5  10.3  9.3  9.1  9  -1 
    Waarvan groenten  4.2  5  4.9  5  5  0 
    sierteelt  5.9  4.8  3.8  3.6  35  -25 
Cultuurgrond, totaal  1,975.5  1,872.3  18,159  18,186  18,224  2.0 

a Peildatum 15 mei.
Bron: CBS-Landbouwtelling. 

Afkomstig van https://www.agrimatie.nl/SectorResultaat.aspx?subpubID=2232&sectorID=2243 

De kwaliteit van de Nederlandse land- en tuinbouwproducten kan goed genoemd worden. Wordt er echter gekeken naar de voedingswaarde, dan zien we dat deze al jarenlang een teruglopende trend vertoont. 

Het gevolg van deze teruglopende waarden is dat voortdurend meer ziekten zich openbaren en dat de gemiddelde gezondheid van de Nederlander steeds verder achteruitgaat. Waardoor het beroep op zorg toeneemt.

Als algemene oorzaak voor een teruglopende voedingswaarde wordt meestentijds genoemd de verarming van de landbouwgronden. Een verarming als gevolg van het onvoldoende toepassen van wisselteelt. Dit is echter ten dele waar.

De verarming is grotendeels het gevolg van het grootschalige gebruik van kunstmest. Kunstmest wordt aan de grond toegediend in de vorm van zouten. Zouten hebben het voordeel dat zij zeer snel oplossen en daardoor snel beschikbaar zijn voor de plant. Deze snelle beschikbaarheid gaat ten koste van mineralen welke niet in zoutvorm aanwezig zijn, maar in gebonden structuren welke eerst moeten eroderen voordat opname door de plant mogelijk is.

De kunstmestsamenstelling is echter zodanig dat de plant de stoffen snel opneemt en vervolgens vindt er een snelle groei plaats (revolutieteelt). De plant krijgt niet de kans om complexe biochemische stoffen (bioflavonoïden) te vormen die de plant beschermen tegen ziekteverwekkers. Bestrijdingsmiddelen tegen ziekteverwekkers zijn dan noodzakelijk.

De Duitser Justus von Liebig (1803-1873) wordt beschouwd als de uitvinder en eerste gebruiker van kunstmest. Von Liebig onderzocht nauwkeurig welke elementen planten nodig hadden om te groeien. Daarna startte hij een proef met kunstmestgiften. Liebig onderscheidde drie essentiële

voedingsstoffen: stikstof (N), fosfaat (P2O5) en kali (K2O). Deze moesten toegediend worden in een verhouding van (ongeveer) 1 : 0,35 : 1,4. Uiteraard verschilde dit per grondsoort en plantensoort. Naast deze essentiële voedingsstoffen erkende Liebig ook het belang van secundaire voedingsstoffen, zoals calcium, en sporenelementen, als magnesium, borium, koper en dergelijke.

Zijn reputatie als eerste en meest prominente criticus van kunstmestgebruik is echter veel minder bekend. Maar net zoals Albert Einstein kritiek had op de toepassing van zijn werk in vernietigingswapens, was ook Justus von Liebig later een bestrijder van het gebruik van zijn eigen ontdekking.[bron?] Het overmatig strooien met kunstmest zag hij als een gevaar voor een gezond bodemleven en een verantwoord agrarisch product.

Om snel te kunnen groeien heeft een plant 12 elementen nodig welke opgedeeld kunnen worden in hoofdelementen (stikstof, fosfor, kalium, calcium, zwavel en magnesium) en sporenelementen (ijzer, zink, koper, molybdeen, borium en mangaan). Het resultaat zal echter zijn een niet verantwoord agrarisch product. Bestrijdingsmiddelen zijn noodzakelijk om de plant niet ziek te laten worden.

Kwaliteit van de grond is essentieel

In feite is er geen fysiologisch verschil tussen een mens, dier en een plant. We zien er alleen verschillend uit. Mens en dier hebben een darm, waar m.b.v. (haar-)bloedvaten voedingsstoffen uit de inhoud van de darm worden gehaald (chymus). De gezondheid en kwaliteit van de darm wordt bepaald door bacteriën (microbioom).

De plant heeft wortels (haar-) die een fysiologische overeenkomt hebben met bloedvaten en is de grond waar de plant in staat, vergelijkbaar met de darminhoud (chymus). Ook bij de grond wordt kwaliteit en gezondheid bepaald door bacteriën! In beide gevallen bestaat er een samenleving waar beiden profijt van hebben (symbiose)

Bij het gebruik van kunstmest, in de vorm van zouten, wordt echter de gezonde bacteriehuishouding van de grond ruwweg verstoord ten gunste van ziekmakende bacteriën, met als gevolg dat de plant kwetsbaar wordt voor ziekten en plagen en zijn gewasbeschermingsmiddelen een noodzaak.

Een voedingsstoffenrijke grond, is een regenwormenrijke grond. Regenwormen zetten namelijk organische bestanddelen, zoals compost, om in voor bacteriën opneembare stoffen. Bacteriën zetten op hun beurt de opgenomen stoffen om in voor de plant opneembare stoffen. Met kunstmest bewerkte gronden zijn dan ook arm aan regenwormen.

Het gebruik van kunstmest zal dus altijd leiden tot “zieke” voedingsgewassen.

Voedselbos

De beschikbare grond in Nederland is beperkt. Naast land- en tuinbouw vindt de Nederlander ook biodiversiteit, ecologische veerkracht, natuur en duurzaamheid belangrijk. Een voedselbos voldoet aan al deze eisen en zou voor de toekomst een goede rol kunnen spelen als het aankomt op een ecologisch verantwoorde voedselvoorziening van Nederland.

In voedselbossen wordt landbouw met natuur gecombineerd voor een duurzame voedselproductie. Het is een biodivers systeem dat ook nog eens voor voedselproductie zorgt. Een voedselbos is een door mensen gecreëerde plantengemeenschap (planten, bomen en struiken) met een extreem hoog

aantal eetbare soorten. De biodiversiteit, (ecologische) veerkracht en productiviteit (van biomassa) van een voedselbos zijn hoog. Een voedselbos is volledig zelfvoorzienend en klimaatbestendig.

Voedselbossen zijn een vorm van permacultuur. In de jaren `70 van de vorige eeuw kwam het principe voor permacultuur op: een duurzame manier om te voorzien in voedsel, drinkwater, energie, huisvesting en sociale verbinding. Het woord permacultuur is een samenvoeging van permanente agricultuur en permanente cultuur. Het uitgangspunt is een duurzame samenwerking tussen mensen, planten en dieren. Het is in feite een vorm van ecosysteemdiensten. Permacultuur is gebaseerd op de natuurlijke kringlopen, processen en ritmes in de natuur en het diereigen gedrag en probeert die te imiteren binnen een landbouwbedrijf.

Het geheim van een succesvol voedselbos is dat je de natuur het werk laat doen. Niet spitten, wieden, schoffelen, maar de grond de rust gunnen die nodig is om een gezond bodemleven te ontwikkelen. Er worden meer ecologische principes van een natuurlijk bos ingezet, zoals het plannen en planten in meerdere lagen, van hoge bomen tot lagere struiken in de halfschaduw, met klimmers en kruipende planten als extra lagen.

“Een ècht voedselbos is economisch niet rendabel; wel erg leuk”

Over de hele wereld worden voedselbossen gerealiseerd. In Nederland zijn ook al enkele initiatieven uitgevoerd. Het eerste voedselbos is opgezet in Groesbeek (het Ketelbos), maar ook in bijvoorbeeld de provincie Flevoland wordt er al volop gewerkt aan voedselbossen.

https://www.groenkennisnet.nl/nl/groenkennisnet/dossier/dossier-voedselbossen.htm

Van mono- naar polycultuur

Een natuurlijke omgeving kent geen monocultuur. De manier waarop nu grootschalige landbouw wordt toegepast trekt een zware wissel op het milieu, de natuur en ons welzijn.

De natuurlijke situatie in de tropen en hun nabootsing door voedselbossen in onze gematigde streken, bieden aanknopingspunten voor een werkelijk betere landbouw. Agroforestry betekent een landbouwomgeving met bomen en voedselplanten, zodanig ingericht dat er zowel oogst van de bomen als van de andere voedselgewassen is en dat tegelijkertijd het natuurlijke systeem verbetert dan wel in tact blijft. De natuur moet immers het werk doen.

Silvopasture – bosjeslandschap

Bomen en bosjes met gras eronder waar bijvoorbeeld vee (koeien, varkens, schapen) lopen. De bomen kunnen voedsel produceren voor de mens, maar ook voor het dier.

 

 

 

Dehesa in de Spaanse Extremaduara – foto: Ardo Beltz, Wiki Commons

 

Alley cropping – laanteelt

Rijen bomen met eventueel struiken, en daartussen andere gewassen, vaak eenjarigen, die mechanisch worden geoogst.

Laan van notenbonen met ertussen maïs – foto: USDA

 

Waarom schakelen boeren niet subiet om?

Maar waarom schakelen niet alle boeren om? Het is niet dat de boeren natuur afwijzen. Ze zijn eerder het slachtoffer van de lage voedselprijzen. Ze moeten veel en goedkoop produceren, omdat supermarkten lage inkoopsprijzen willen ‘omdat de consument goedkoop wil kopen’. Dat met name staat een snelle omwenteling in de weg.

De politiek zal het ene subsidiesysteem moeten vervangen door het andere om ecologisch verantwoorde landbouw te stimuleren.

Wil Nu is daarom voorstander van een systeem waarbij de land- en tuinbouwers betaald gaan krijgen voor kwaliteit i.p.v. kwantiteit. Aansluitend zou de “dure” distributieschakel supermarkt, geëlimineerd moeten worden uit het systeem, en zou de stichting van land- en tuinbouwwinkels, met name in stedelijke gebieden bevorderd moet worden.

Rentabiliteit

Een voedselbos aangelegd als een heus “wild” bos, is economisch niet rendabel. Bovendien duurt het bijna een generatie eer het bos werkelijk productief is.

Tijdens de conferentie Van Akker naar Bos (28 november 2015) waren naast realistische mensen ook de nodige dromers en idealisten die op een hectare of minder een voedselbos wilden aanleggen om

een inkomen uit te halen. Maar het oogsten in een als wild aangeplant bos is arbeidsintensief. De gewassen staan niet op rijtjes en machinaal (ondersteund) oogsten is een illusie, of het zou op den duur met geprogrammeerde drones moeten gebeuren.

In een van zijn video’s zegt goeroe Martin Crawford dan ook dat het voedselbos, afhankelijk van grootte, geschikt is voor de particulier gebruik of gezamenlijk met kleine groep mensen.

Mark Shepard doet aan agroforestry, aan laantelt of alley cropping. Dat lijkt op een oud Japans model. Tussen rijen bomen en struiken staan eenjarige gewassen. Shepard en anderen kunnen door hun opzet mechanisch oogsten en verdienen met de eenjarige gewassen meteen geld. De rentabiliteit van de bomen, heesters en struiken laat immers nog jaren op zich wachten.

Voordelen

Het voedselbos of Eetbare Siertuin leert ons dat de groenteafdeling in de supermarkt slechts een minuscule afspiegeling is van al wat eetbaar is. Alleen wat economisch interessant is wordt geteeld. Als we in onze eigen tuin ook inheemse eetbare gewassen zaaien of planten en voorheen-onkruid haar gang laat gaan, kunnen we als wildplukkers de echte natuur onverstoord laten. Een goed aangelegd voedselbos behoeft geen extra bemesting of gebruik van bestrijdingsmiddelen. De natuur hoort het te regelen.

Een niet onbelangrijke bijkomstigheid van het planten van bomen in- of langs agrarische terreinen is dat er meer CO2 wordt vastgelegd. Op 20 juli 2016 kwam er een wetenschappelijke rapport uit waaruit dat blijkt. In dat rapport staan ook de landen die tussen 2000 en 2010 meer bos/bomen hebben aangeplant (o.a. Brazilië, Indonesië, China en India) en landen die beduidend meer hebben gekapt dan geplant, zoals Argentinië, Myanmar en Sierra Leone.

Het laten lopen van vee op silvopasture (bosjeslandschap) is een van de meest voor de hand liggende methoden om meer bomen in te zetten, zonder dat dit grote veranderingen vereist (zoals bij laanteelt).

Hedendaagse voedselbossen bevatten veel exoten, eetbare planten uit andere werelddelen. Sommige waren al bekend als sier- of kamerplant en blijken uitstekend eetbaar, andere worden min of meer nieuw geïntroduceerd of werden zelden toegepast en nu opeens meer.

Conclusie

Gangbare monocultuur vernietigt door gebruik van bestrijdingsmiddelen en kunstmest het bodemleven en brengt ook mensenlevens direct en indirect in gevaar. Voedselbossen zijn al heel oud, maar vormen voor de Westerse wereld een leermodel voor meer ecologisch verantwoorde land- en tuinbouwsystemen.

Een echt wild voedselbos zal vermoedelijk niet economisch rendabel worden, maar kan bijvoorbeeld wel in eigen tuin worden toegepast. Veel oude landgoederen voldoen al in enige mate aan de criteria van een voedselbos en als de gemeenten ook hun parken en plantsoenen eetbaar gaat beplanten, scheelt dat èn onderhoud (na een aantal jaren) èn de omwonenden leren weer wat er allemaal eetbaar is.

De lange weg Van Akker naar Bos

Bronnen

[1] Permacultuur Magazine nr 3 2016 (gewijd aan voedselbossen); [2] USDA; [3] Wikipedia; [4] De Correspondent 3 juni 2016; [5] Agro Forestry Nederland; [6] Permacultuur Nederland; [7] Huffington Post 8 juli 2016: If Agroecology Is So Great, Why Aren’t All Farmers Doing It?; [8] Friends of the Earth: Farming for the Future; [9] Agroforestry Research Trust (Martin Crawford); [10] Groen Kennisnet; [11] EurActiv 10 juni 2016: Tony Simons: Agroforestry is a ‘win-win’ for developing nations; [12] 4000 Jaar Kringlooplandbouw; [13] Vademecum Wilde Planten; [14] PFAF; [15] Creating a Forest Garden, Martin Crawford; [16] Forest Gardening, Robert Hart; [17] Agroforestry systems in China, Chinese Academy of Forestry & International Development Research Centre, Canada, 1991; [18] Forest Farming, J Sholto Douglaes & Robert A de J Hart; en meer….[18] Website www.mergenmetz.nl

Augustus 2020